Wachten

Wie houdt er nu van wachten
Alleen al de gedachten
Onvrijwillig te niksen
Als anderen het niet fiksen
Wachten is een impopulaire vrijgezel
Zeg ik met klem
Niemand houdt van hem

Zijn broertje “Niks doen”
Ligt beter in de markt
Hij heeft al negen lege weken
Bij elkaar geharkt
Zonder te zeuren
Zonder te morren
Maar, is het goed te keuren?

Niks doen
Doen we graag
Bij tijd en wijle
Hoewel we het verachten
In feite is het
Hetzelfde als wachten

Jans Renken, september 2017

Wandelen

Wat moet dat mooi zijn
Het gevoel schijnt reuze
Wandelen in zonneschijn
Horizon naar keuze

Klimmen naar kruishoogte
Dalen tot aan de rivier
In natte tijden of in droogte
Wandelen geeft altijd plezier

Maar niet voor mij
Mijn wandelafschuw is extreem
Van dat gezeul door de klei
Krijg ik wandelschoeneneczeem

Bovendien heb ik rugzakallergie
En een hekel aan loopstokken
Afritsbroeken tot aan de knie
Chronische afkeer van wandelsokken

Erg zijn die bodywarmers
Met soms wel zeven zakken
Een afkeer van petten
Met doekjes die in je nek plakken
En rode vlekken in je nek zetten

Wandelkaarten kan ik niet lezen
Route paaltjes ben ik altijd kwijt
Nee, van wandelen ben ik goed genezen
Daarvan heb ik weinig spijt

Want ik ben er mee naar de dokter geweest
De diagnose kostte hem heel wat tijd
Het was iets waarvoor ik al had gevreesd
Ik lijd aan een aangeboren wandelschuwheid

Jans Renken, september 2017

Wijn

Kom aan
Riep Bacchus
Pak aan
En laaf je
Met mijn Goddelijke drank

Grijp de glazen
En laat ons klinken
En als dwazen
Drinken
Tot de uren verwazen

En wie houdt trouw de wacht
Houdt alles in de gaten
Nyx godin van de nacht
Zij roept heel gelaten
halt
Brengt ons tot zinnen

Het is zij
Die ons aan de hand leidt
Naar binnen
In het huis van Morpheus
En ons zachtjes
In zijn armen vleit

Jans Renken, september 2017

Schemering

Terwijl de schemering
De dag zachtjes doorschuift
Naar de avond
En de vogels
Hun laatste vlucht maken
Naar hun slaapplaats
Schenkt de tijd ons ruimte
Voor een mijmering.

Langzaam wegzinkend
In de jaren
Die druppend versmelten
Als een glijdende gletsjer
Waarin herinneringen
gelijk fossielen
worden blootgelegd.

In het reeds donker
Van de avond
Zwem ik in een zee van weemoed
Verlangend naar dat
Wat nooit meer is
Wat nooit meer komt
Wat nooit meer wordt
Maar wat ik oh zo mis.

Jans Renken, november 2015

Magere Hein

Iedereen kent mij
Maar ziet mij nooit
Pas aan het einde van de rit
Als het leven is voltooid
En als de ogen zijn gedicht
Zie je mijn gezicht.

Ik ben de haler van de ziel
Ben paraat
Wanneer ze het lichaam verlaat
Als een verloren vlinder
Als een dwalend licht.

Met zachte hand reik ik uit
En koester de ziel zacht in mijn armen
Als laatste ben ik de moeder, de vader
En zal ik erbarmen.

Zo snel als het kan
Breng ik de smeltende ziel
Als sneeuw in de lente zon
Naar de andere kant,
Het andere land
Waar de kust groen is
De nevel fris
Het water zo blauw als de hemel.

Daar zet ik de ziel neer
Opdat ze verder kan gaan
Naar haar bestemming
Waar de anderen wachten
Die eerder zijn gegaan
Ze vallen elkaar liefdevol in de armen.

En ik kijk toe
Ik ben slechts de haler en de brenger
De vervoerder van de ziel
Ik ben de dood tot dienst
De magere man met de zeis
Ben noch vijand, noch vriend,
Slechts de verzorger van de laatste reis.

Jans Renken, december 2016

Onheil

Scheurende wolken
Tonen hun doffe glans
De laatste zonnestralen
Krommen als slierten stroop
Door de lucht
De schaduwwind waait

Zwalkende zwaluwen
Doemen op als vallende sterren
Aan het zwerk
En zoeken hun toevlucht
In het dichtste kreupelhout
De schaduwwind waait

Tanende dennen
tellen hun naalden
Klampen hun wortels
Zo diep mogelijk
In de vette klei
De schaduwwind waait

De getergde mens
Trekt de muts over de oren
Overpeinst ongerust
Was dit het dan
Hij weet dat
De schaduwwind waait

De vogels verstillen
Alles is van slag
Iedereen voelt de onheil
Vandaag kruipt de maan
voor de zon
De schaduwwind waait

Jans Renken, februari 2017

Spelbreker

De dag neemt afscheid
In een rood-oranje lucht
Een zwoel wind
Waait koeltjes
De zorgen weg
Rimpeloos water
Slaapt al
Voor de volgende dag
Nog een wijntje
Wat borrelnootjes
Kijk, een vallende ster
Au,
Pats
De mug steekt
Zijn kop op

Jans Renken, februari 2017