Korenveld met kraaien

Een lucht zo turbulent
Zo beweeglijk
Zo dreigend donker van toon
Het koren zwiept en golft
Alsof het de wind wil bewijzen
Dat het wild is
Te wild voor een zwerm kraaien
Ze laten het koren onberoerd
Hun vlucht is droefgeestig en doelloos

Reddeloos loopt de weg dood
Zal de einder nooit bereiken
Geen spoor van iets menselijks
Alleen kale karrensporen
Diep in het zand
De verte lijkt blind
Door een verdwenen horizon
De stemming is onheilspellend
Meer zwaarmoedig
Er is een zekere wanhoop
Een dreiging
Gelijk het krassen van de kraaien.

De voorbode van de dood?
Spreekt hier de radeloosheid?

Vincent waren dit je laatste streken?
Was dit je laatste boodschap?
Heb je de laatste plek gevonden
Voor je laatste adem?

Of was het gewoon balorigheid
Gewoon een streek
De nieuwe weg
naar verandering
die jij in durfde te slaan
Wist je niet dat je einde kwam?
Dat de waanzin zou toeslaan?

Ook wij zullen het nooit weten.

Jans Renken, oktober 2019

Stormachtig gedicht

het stormt in mijn kop
woorden worden voortgestuwd
door hevige windvlagen
woorden die mijn gedachten teisteren
zich proberen vast te zetten in mijn brein
om zich nooit meer los te laten

met wervelwinden probeer ik ze te verjagen
maar ze nestelen zich in het oog van de orkaan
daar vinden ze rust
daar is geborgenheid
alle tijd en ruimte
om zich te verenigen tot zinnen
mooie regels voor poëzie

met en krachtige zucht
laat ik ze via mijn hand
wegvloeien op papier
de storm in mijn kop
gaat uiteindelijk liggen
en overziet de schade
dat het heeft aangericht

tot mijn ontzetting
zie ik strofes
van chaos
rommel
brandhout
de woorden liggen gekromd
en lamgeslagen
in een gedicht

Jans Renken, oktober 2019

Gedicht geschreven ter gelegenheid van de Nacht van de Nacht
en voorgedragen in het Prins Bernhardplansoen te Hengelo in de Nacht 

De Nacht

De nacht is een feest
Een stil feest
De nacht is zacht
Geheimzinnig
Spannend
Angstaanjagend
Maar vooral uitdagend.

In de nacht ruikt het anders
Zijn er dingen te zien
Die het daglicht niet verdragen
Je hoort vreemde geluiden
Als je goed en aandachtig luistert
Hoor je liedjes
Ritmes
Nacht melodieën

De nacht speelt met zachte winden
Die wolken laat verdampen
En ons de sterren laat zien
Doet oude bomen ruisen
Nieuwe beken klateren
Laat de katten muizen.

De nacht opent gevoelens
Daagt de liefde uit
Doet de tranen smelten
En laat de liefde bloeien
Tot onstuimige genoegens
Lange liefde
Liefde tot de eerste zonnestraal

Ik omarm de nacht
Met al z’n nukken
Met al z’n hartstocht
Met al z’n humor
Want zo is de nacht
Zo ongrijpbaar
Zo ongenaakbaar
De nacht viert zijn eigen feest
Een groot feest

Jans Renken, oktober 2019

Feestgedicht bij het eerste lustrum van het Dichterscollectief Niet Zwichten maar Dichten

Het is feest

Kom tover een glimlach op je lippen
En laat je ogen stralen
Laat je vingers eens lekker knippen
Sta daar nu niet zo te dralen

Kom pak die loftrompet
En zet een feestelijk deuntje in
Brul mee met elk couplet
Maak het iedereen naar zijn zin

Blaas op je toeter van papier
Zwaai met je vaandel heen en weer
Gooi de zaal vol met plezier
Want het is feest vandaag, ga tekeer

Bejubel de dichters van het prille begin
Overdonder ze met applaus
Prijs ze voor mijn part de hemel in
Overgiet ze met een feestelijke saus

De eerste vijf jaren zitten erop
We genoten met volle teugen
En we gaan door in volle galop
Daarop kunnen we ons op verheugen

Bedankt voor het luisteren van onze gedichten
Het doet ons altijd veel deugd
Kijkend naar jullie genietende gezichten
Het was voor ons een dolle vreugd

Jans Renken, september 2019

Wachten

Wie houdt er nu van wachten
Alleen al de gedachten
Onvrijwillig te niksen
Als anderen het niet fiksen
Wachten is een impopulaire vrijgezel
Zeg ik met klem
Niemand houdt van hem

Zijn broertje ‘Niks doen’
Ligt beter in de markt
Hij heeft al negen lege weken
Bij elkaar geharkt
Zonder te zeuren
Zonder te morren
Maar, is het goed te keuren?

Niks doen
Doen we graag
Bij tijd en wijle
Hoewel we het verachten
In feite is het
Hetzelfde als wachten

Jans Renken, september 2017

Wandelen

Wat moet dat mooi zijn
Het gevoel schijnt reuze
Wandelen in zonneschijn
Horizon naar keuze

Klimmen naar kruishoogte
Dalen tot aan de rivier
In natte tijden of in droogte
Wandelen geeft altijd plezier

Maar niet voor mij
Mijn wandelafschuw is extreem
Van dat gezeul door de klei
Krijg ik wandelschoeneneczeem

Bovendien heb ik rugzakallergie
En een hekel aan loopstokken
Afritsbroeken tot aan de knie
Chronische afkeer van wandelsokken

Erg zijn die bodywarmers
Met soms wel zeven zakken
Een afkeer van petten
Met doekjes die in je nek plakken
En rode vlekken in je nek zetten

Wandelkaarten kan ik niet lezen
Route paaltjes ben ik altijd kwijt
Nee, van wandelen ben ik goed genezen
Daarvan heb ik weinig spijt

Want ik ben er mee naar de dokter geweest
De diagnose kostte hem heel wat tijd
Het was iets waarvoor ik al had gevreesd
Ik lijd aan een aangeboren wandelschuwheid

Jans Renken, september 2017

Wijn

Kom aan
Riep Bacchus
Pak aan
En laaf je
Met mijn Goddelijke drank

Grijp de glazen
En laat ons klinken
En als dwazen
Drinken
Tot de uren verwazen

En wie houdt trouw de wacht
Houdt alles in de gaten
Nyx godin van de nacht
Zij roept heel gelaten
halt
Brengt ons tot zinnen

Het is zij
Die ons aan de hand leidt
Naar binnen
In het huis van Morpheus
En ons zachtjes
In zijn armen vleit

Jans Renken, september 2017

Schemering

Terwijl de schemering
De dag zachtjes doorschuift
Naar de avond
En de vogels
Hun laatste vlucht maken
Naar hun slaapplaats
Schenkt de tijd ons ruimte
Voor een mijmering.

Langzaam wegzinkend
In de jaren
Die druppend versmelten
Als een glijdende gletsjer
Waarin herinneringen
gelijk fossielen
worden blootgelegd.

In het reeds donker
Van de avond
Zwem ik in een zee van weemoed
Verlangend naar dat
Wat nooit meer is
Wat nooit meer komt
Wat nooit meer wordt
Maar wat ik oh zo mis.

Jans Renken, november 2015

Magere Hein

Iedereen kent mij
Maar ziet mij nooit
Pas aan het einde van de rit
Als het leven is voltooid
En als de ogen zijn gedicht
Zie je mijn gezicht.

Ik ben de haler van de ziel
Ben paraat
Wanneer ze het lichaam verlaat
Als een verloren vlinder
Als een dwalend licht.

Met zachte hand reik ik uit
En koester de ziel zacht in mijn armen
Als laatste ben ik de moeder, de vader
En zal ik erbarmen.

Zo snel als het kan
Breng ik de smeltende ziel
Als sneeuw in de lente zon
Naar de andere kant,
Het andere land
Waar de kust groen is
De nevel fris
Het water zo blauw als de hemel.

Daar zet ik de ziel neer
Opdat ze verder kan gaan
Naar haar bestemming
Waar de anderen wachten
Die eerder zijn gegaan
Ze vallen elkaar liefdevol in de armen.

En ik kijk toe
Ik ben slechts de haler en de brenger
De vervoerder van de ziel
Ik ben de dood tot dienst
De magere man met de zeis
Ben noch vijand, noch vriend,
Slechts de verzorger van de laatste reis.

Jans Renken, december 2016

Onheil

Scheurende wolken
Tonen hun doffe glans
De laatste zonnestralen
Krommen als slierten stroop
Door de lucht
De schaduwwind waait

Zwalkende zwaluwen
Doemen op als vallende sterren
Aan het zwerk
En zoeken hun toevlucht
In het dichtste kreupelhout
De schaduwwind waait

Tanende dennen
tellen hun naalden
Klampen hun wortels
Zo diep mogelijk
In de vette klei
De schaduwwind waait

De getergde mens
Trekt de muts over de oren
Overpeinst ongerust
Was dit het dan
Hij weet dat
De schaduwwind waait

De vogels verstillen
Alles is van slag
Iedereen voelt de onheil
Vandaag kruipt de maan
voor de zon
De schaduwwind waait

Jans Renken, februari 2017

Spelbreker

De dag neemt afscheid
In een rood-oranje lucht
Een zwoel wind
Waait koeltjes
De zorgen weg
Rimpeloos water
Slaapt al
Voor de volgende dag
Nog een wijntje
Wat borrelnootjes
Kijk, een vallende ster
Au,
Pats
De mug steekt
Zijn kop op

Jans Renken, februari 2017